Grauwe gans

Grauwe-gans[1]Aantal en verspreiding
In Nederland is vanaf 1990 een significante toename opgetreden van het aantal broedparen grauwe gans (>5% per jaar), welke ook de laatste 10 jaren is doorgezet. Het aantal niet broedvogels is in Nederland vanaf 1980 significant gestegen met >5% per jaar voor grauwe gans. Deze toename is eveneens over de laatste 10 seizoenen doorgezet. Het aantal broedparen grauwe gans in de provincie Groningen is exponentieel gestegen tot circa 1100 in 2012.

Actuele maatregelen: klik hier.

Schade
De getaxeerde schade door de grauwe gans in de zomer fluctueert, maar kan tot €9.000 bedragen en treedt met name op in granen en grasland. In 2005 trad schade op in aardappels. De beschadigde oppervlakte door de grauwe gans in de zomer treedt het meest op in grasland en soms in wintergraan.
In de winter (1 oktober tot 1 mei) kan de getaxeerde schade oplopen tot € 140.000,-. Deze  treedt  vooral  op  in  blijvend  en  nieuw  ingezaaid  grasland;  Hierbij  wordt opgemerkt dat winterschade vooral optreedt in de voorjaarsmaanden.
Gezien de populatie toename is de verwachting dat in de toekomst belangrijke schade in de provincie zal gaan optreden aan aardappelen, gras, graszaad en winter- en zomergraan.

Beleid
De grauwe gans is beschermd in het kader van de Flora- en faunawet. Er is een provinciale vrijstelling voor verontrusten van grauwe ganzen. Provinciaal is op 27 mei 2014 een Groninger ganzenakkoord gesloten. Het GAK werkt via maatwerkgroepen het ganzenakkoord uit in maatwerkplannen per gebied en legt deze ter vaststelling voor aan de Fbe. De foerageergebieden blijven gehandhaafd van 1 november tot 1 april (bij een belangrijk aandeel aan brandganzen verlengd tot 15 mei).
Voor de grauwe gans geldt een winterrustperiode van 1 november tot 1 maart op graslandpercelen.    Bij    dreigende    schade    is    verontrusten    toegestaan,    maar ondersteunend afschot alleen op kwetsbare gewassen buiten foerageergebieden. Van 1 maart tot 1 november is ondersteunend afschot van grauwe gans in de gehele provincie Groningen op alle gewassen mogelijk met uitzondering van de foerageergebieden in maart. Gecoördineerd  afschot  van  koppelvormende  grauwe  ganzen  wordt  mogelijk gemaakt.

Beheer
Het aantal verzoeken om een machtiging en als afgeleide daarvan het aantal verleende, gerapporteerde en gebruikte machtigingen is in de periode 2005-2012 min of meer lineair gestegen. Het aantal acties is exponentieel toegenomen. Slechts een deel van de acties heeft geleid tot afschot. Tot 2011 is het aantal geschoten grauwe ganzen sterk gestegen met een maximum van 430 dieren, in 2012 is het iets gedaald naar 381 dieren.
De ontwikkeling en beheer van de populatie grauwe ganzen als zomergans moet meer aandacht hebben. Geadviseerd wordt om met gebiedsgerichte maatregelen het aantal vliegvlugge jongen te beperken.

Overwegingen
Het Groninger ganzenakkoord beoogt, met in achtneming van de Europeesrechtelijke verplichting voor de duurzame instandhouding van de trekganzenpopulatie, de mogelijkheden tot het effectief bestrijden van schade door grauwe ganzen als zomerganzen te vergroten.
Gebleken is dat de huidige ontheffing de mogelijkheden tot bestrijding van schade door grauwe ganzen als zomerganzen te zeer beperkt. Daarom wordt een (ruime) ontheffing voor schadebestrijding bepleit, waaronder verlengen van de periode (vanaf een uur voor zonsopkomst tot een uur na zonsondergang), het toestaan van lokmiddelen en om het intrekken van voorschriften die de mogelijkheden tot schadebestrijding beperken.
Met het afschieten van koppelvormende grauwe ganzen wordt reproductie voorkomen en het aantal te doden dieren beperkt.
Bedoelde wijzigingen zullen daarnaast een bijdrage leveren aan het verminderen van de noodzaak tot populatiereductie op termijn ten behoeve van beheer en schadebestrijding.
Er wordt geen afbreuk gedaan aan een gunstige staat van instandhouding.
Het is wenselijk om in maatwerkplannen alle maatregelen uit de ‘gereedschapskist’ uit te werken voor de specifieke situatie in Groningen, waaronder maatregelen die schade kunnen voorkomen in landbouwgebieden en die broed- en ruigebieden minder aantrekkelijk maken.